AD Delft: ‘Martin Stoelinga: soms best een kwajongen, met een goed hart’

Bron AD Delft
Martin Stoelinga aarzelde nooit om burgemeester Van Bijsterveldt te bellen als er een probleem op te lossen was. FOTO AD

Bron AD Delft zaterdag 27 maart 2021 door KARL FLIEGER

Martin Stoelinga laat een lege plek achter in Delft. Zijn overlijden, afgelopen donderdag, doet bij zijn strijdmakker van het eerste uur, Jan Peter de Wit, gemeen pijn. ,,Ik ben door de dood van Martin zwaar aangedaan, eigenlijk veel meer dan ik had verwacht.”

De Wit heeft in de nacht van donderdag op vrijdag niet geslapen. ,,Er spookten zoveel dingen door mijn kop, ik kon het niet loslaten.” Dat Stoelinga en hij in het verleden nogal eens werden gezien als clowns en de Delftse variant op Jacobse en Van Es, daar kan hij wel om lachen.

De naaktscène op de Markt, rond een debat over het naaktstrand in de Delftse Hout, staat hem nog helder voor de geest. ,,Ik kwam uit mijn werk en ik moest van Martin naar café De Liefhebber komen. Daar zat die Rutger van Powned. Of we ons maar even uit wilden kleden, want we gingen naakt de Markt op. Voor ik het wist liep ik daar met Martin. Ik snap nog niet hoe hij dat voor elkaar heeft gekregen want die dingen gaan mij veel te ver. Maar Martin was altijd van de grappen en de grollen.

We hebben best onze dingetjes meegemaakt, maar het was tussen ons net een huwelijk: uiteindelijk kwam het altijd wel weer goed. Het is een groot gemis. Martin wilde nooit opgeven, ook nu niet. Dat doorzettingsvermogen was enorm, en soms ook lastig. Maar als je dan met hem sprak, smolt het ijs al weer.”

Goed hart

Burgemeester Marja van Bijsterveldt herinnert zich Martin Stoelinga als ‘soms best een kwajongen, maar wel iemand met een heel goed hart’. Hij aarzelde niet om de burgemeester te bellen, als hij een probleem opgelost wilde hebben. Ze vond dat prima. ,,Martin was voor een grote groep Delftenaren heel herkenbaar en hij stond ook echt voor die mensen. Dat de gemeenteraad een weerspiegeling is van de bevolking, vind ik heel belangrijk en een groot democratisch goed.”